Ode aan alle minor poets

Als je geen lezers hebt

Tot mijn verbazing stuitte ik enkele dagen geleden in mijn digitale Van Dale Groot woordenboek Nederlands op het lemma ‘minor poet’. Ik had niet verwacht dat deze uitdrukking (al) toebehoort aan het Nederlands.

Van Dale omschrijft de minor poet als volgt: ‘minder belangrijke dichter met een bescheiden scheppingsdrang en vaak een aan de persoonlijke ervaringswereld ontleende thematiek’.

Huh? Ik beschouw mezelf als een minor poet, als een dichter met een beperkt lezerspubliek en kleinere oplages, maar bezit evenzogoed grote scheppingsdrang en put bij het dichten slechts sporadisch uit eigen ervaringen.

Mijn woordenboek Engels omschrijft ‘minor poet’ enkel en alleen als ‘minder belangrijke dichter’, wat beter aansluit bij mijn belevingswereld.

Deze week duikelde ik, in een hoekje, ook nog een titelloos gedicht van mijn hand op, dat nog geen onderdak in een bundel heeft gevonden. Naar aanleiding van het bovenstaande diende zich bovendien een titel aan:

ODE AAN ALLE MINOR POETS

Als je geen lezers hebt
roep je er eentje in het leven

met nat haar en een regenjas aan
in een verder lege winkel

gebogen over een stapeltje ramsj
waarop jouw bundel

zachtjes wordt teruggelegd.

Aan een jonge dichter (2)

Ton van ’t Hof eist volle overgave

Ook ik richtte ooit het woord, in stotende verzen, tot de jonge dichter, in de aanmatigende veronderstelling dat ik de minder ervaren poëet enige kneepjes kon bijbrengen. Geen idee wat me toen bezielde. Het gedicht is opgenomen in Ingangspunt (2013), mijn lievelingsbundel en nog altijd verkrijgbaar.

BERICHT AAN EEN JONGE DICHTER

Met alles wat me weerhoudt van het schrijven leef ik
in vijandschap.

Daarna met mijn moeder door de regen. Toen de regen nog regen was
en het voorjaarsgroen nog niet aan normvervaging onderhevig.

Dit is een gedicht. Het heet Foot Loose & Fancy Free.

Het is niet geschikt voor een talentenjacht.

Het doorbreekt geen stilte.

Mijn god. Wat ik nu niet moet gaan doen: hineininterpretieren. Toen ik aan dit gedicht begon had ik de bedoeling om te onderwijzen. Maar ik deed iets anders. Of liever gezegd, er gebeurde iets anders: het gedicht ging met me aan de haal. Al na de eerste strofe. Voor ik het wist had ik het leraarschap weer ingewisseld voor het dichterschap en hield me bezig met waar dichters zich mee bezig houden: het combineren van woorden. Wat deels een onbewust proces is. En je gaat ermee door tot het klopt, totdat ze allemaal op de juiste plaats staan en doen wat ze moeten doen. Dan is het gedicht af.

En nu ik het weer lees voel ik opnieuw dat dit vers klopt als een bus, een klokgaaf geheel is en lichtjes schittert. Uiteraard realiseer ik me dat het polyinterpretabel is, dat er in deze constructie heel wat betekenissen rondzingen. Tuurlijk. Dit is poëzie, man. Doe er je voordeel mee.

PS (1) Uiteindelijk geef ik dus één concrete aanwijzing: het dichterschap vereist volle overgave. (2) Wie zich afvraagt wat die bezige bij op mijn bundeltje doet kan hier terecht.