De wenteling

Literaire spot van Kent Johnson

Kent Johnson schreef een bundel vol hekeldichten, Because of Poetry, I Have a Really Big House (2020), waarin hij op spottende wijze vormen van zelfgenoegzaamheid binnen de Amerikaanse poëziewereld aan de kaak stelt. Hilarisch leesvoer, dat ook te denken geeft. Hoewel de Nederlandse en Amerikaanse literaire kringen van elkaar verschillen, zijn er met betrekking tot kwasterigheid ook overeenkomsten waarneembaar.

DE WENTELING

Je hebt het als bekende dichter zwaar te verduren.
Het beantwoorden van alle verzoeken van
dagbladen en tijdschriften en het reizen
naar congressen en het jureren
van bundels en het doen van een goed woordje
voor dichters die ook bekend willen worden
persen alle creativiteit uit
je. Het is gewoon zo vermoeiend! Soms
wordt het zo veel dat je gewoon een enorme
blauwe condoom over je heen wil trekken en
van een heuvel af wil rollen richting de rand van
een steile klif, of wat dan ook, en wil verdwijnen
totdat alle gletsjers weer smelten en
een of andere rondtrekkende overlevende
van de Catastrofe, die jaagt op gigantische
luiaard, een stukje blauw onder een rots
uit ziet steken. Maar dat doe je niet,
en je houdt je mond over zaken
die niet genoemd mogen worden
in het Poëzieveld, omdat je weet
dat de Toekomst op jou rekent,
de toekomst van de Kunst. Het is moeilijk, lastig,
maar je moet de druk kunnen verdragen
en het onnozele ressentiment
van minder bekende dichters, wier leven
en schrijven grotendeels, zo niet
volledig, vergeten zullen worden, net als het lot van
de gewone mensen, die in de moerassen
wonen, voorbij het universiteitsdistrict.
De hemel opent zich boven je, maar
niet voor roestbruin zweet, zoals in de Eerste
Wereldoorlog. Badend in goudkleurig
licht begeef je je naar het podium,
waar vierduizend dichters op een jaarlijks
netwerkevent in een enorme zaal zijn gepropt
om jou te horen reciteren, in Russische
of TED-stijl, zonder gebruik van aantekeningen of
bundel. Ze dragen allemaal donkere vogelmaskers
met lange gekromde snavels en pikken haastig
naar een donkere kraakbeenachtige substantie
in hun hand, een aanwijzing
die opwinding en hoop verraadt. En als je
je je armen spreidt en begint, hijst een draad
en harnas je boven de kudde pikkende dichters
uit, en je vliegt, hoger en hoger, sneller
en sneller, in steeds groter wordende cirkels, terwijl
de G-krachten je reciterende gezicht uitrekken en platter
maken, alsof je in een spiegelpaleis bent, maar
dat ben je niet, je bent gewoon op een poëziecongres
en het voelt alsof je gezicht er wordt afgerukt.
Je hebt het als bekende dichter hard te verduren.