Moederkruid

‘To read a John Ashbery poem is to be scrutinized by it,’ schreef Paul Muldoon in 2017 in een in memoriam. Waarmee hij bedoelde dat Ashbery’s poëzie je aanzet tot zelfbespiegeling, zelfonderzoek.

Zelf heb ik het idee dat Ashbery telkens een spelletje speelt met mijn drang tot duiding, interpretatie. Niet van mezelf, maar van het gedicht: wat zou het kúnnen betekenen?

Ik kom er zelden uit, blijf meestal met lege handen achter, maar heb me altijd vermaakt.

Het vierde gedicht uit Ashbery’s bundel A Worldly Country (2008), ‘Feverfew’, luidt als volgt:

MOEDERKRUID

Het is allemaal lang geleden gebeurd –
een dikke, troebele neerslag
van een bepaalde periode die afliep
zoals rioolputten verzakken. Woede op de weg had flanken doorbroken;
alles was onzeker op de Via Negativa
behalve de zekerheid van terugkeer, terugkeer
naar het om en nabij.

’s Nachts en ’s ochtends klonk er een hoorn,
die de volgelingen opriep tot gebed, de afvalligen tot plezier.
In dat onmogelijke steegje ademde ik eerst uit
een grapje voor je koddige gepaneerde lippen:
Wat als we allemaal niet weten wat ons allemaal overkomen is,
het lied dat om middernacht begint,
de droom later, van ezelsoor en mos
vlakbij waar Acheron indertijd stroomde?

Maar nu ben ik alleen, ik kwam omdat je huilde en ik moest.
Gevlochten schors dempt de klopper, maar de deurbel
dringt diep door in de hersens van iemand die hier woonde.
O akelig wolkendek en tricky,
ondubbelzinnig is de maan.

‘Moederkruid’ is een plantje dat vroeger werd gebruikt om weeën op te wekken en kraamvrouwenkoorts te verdrijven.

‘Via Negativa’ is een theologische praktijk waarin je God benadert door te zeggen wat hij níet is.

‘Acheron’ is de rivier van het leed waarover Charon de veerman de schimmen van de doden naar de onderwereld bracht.

Mogelijke strekking van dit gedicht? Tja, zeg het maar.

John Ashbery, ca. 1955

Streepjespatroon

In zijn bespreking van A Worldly Country omschrijft Forrest Gander de late John Ashbery als een dichter die niet alleen clichés laat zingen, maar ook morrelt aan de syntaxis, opdat lezers hun pas inhouden en het ‘continuüm’ kunnen zien, van het leven in het algemeen en de Amerikaanse geschiedenis, inclusief haar taal, in het bijzonder.

Mooie maar ook wat vergezochte woorden. Ahsbery was geen dichter die een programma had, maar iemand die intuïtief handelde. Naarmate hij ouder werd ging hij steeds explicieter op zijn esthetische gevoel voor taal af en schoof betekenis nog verder naar het tweede plan. De oudere Ashbery liet vorm definitief boven inhoud prevaleren, virtuositeit boven idealisme.

Neem het derde gedicht van A Worldly Country, dat van een betoverende schoonheid is, maar waar je geen donder van snapt:

STREEPJESPATROON

Bij het passeren van de lage brug geeft je lot lucht
aan een scheldkanonnade. De kastanjebomen
laten hun bladeren één voor één vallen. Terwijl het ene
na het andere gespreksonderwerp werd aangesneden, liet de deur
telkens een enkele bezoeker toe. Waarom ook niet?

Was dit de reden dat we aandachttrekkende
momenten op het plein schuwden nadat de zon
was uitgemokt? Er waren konijnen in de oase
en wij wisten van niets, al helemaal niet
van opeengepakte nogahandelaren. Eén
slaapliedje voor iedereen. Het verhoor kent geen clausule,
alleen lichtvoetige reuzen die perspectief schrokken
of eenzaamheid komen voor zichzelf op, kleurloosheid
die contrasteert met lichtpillen.

Openlijk beledigd

In een recensie van John Ashbery’s A Worldly Country (2007) wijst Bryan Appleyard op een grondtoon van Ashbery’s poëzie die ik herken: ‘het constante, treiterende vermoeden dat er in feite iets te zeggen valt’ over de wereld waarin wij ons bevinden, iets wezenlijks.

In een van zijn gedichten verwoordt Ashbery dit als volgt: ‘Zo velen zaten goed fout / over bijna alles, het doet er / nauwelijks toe, iets anders wel / anders zou alles kassiewijle zijn.’

Geen bakerpraatjes, maar essentialia.

Wat gemakkelijker gezegd is dan gedaan. Ashbery zoekt zijn heil niet in generaliserende beweringen, maar in omtrekkende bewegingen en falsifiëringen.

In het tweede gedicht van A Worldly Country, ‘To Be Affronted’, komt de term ‘mandala’ voor. Een mandala is een symbolische uitbeelding van het heelal en heeft een oosterse oorsprong (Sanskriet: cirkel). Vooral Ashbery’s latere gedichten, waarin het zinnebeeld en de allegorie niet worden geschuwd, hebben wel iets weg van mandala’s.

OPENLIJK BELEDIGD

Een tijdje vingen we het wezen van de dingen op
zoals ze in het verleden hun beloop hadden gehad. En we leerden ze
heel goed kennen. Spinnenwebben hingen
boven de kust. Onverschrokken plukte het meisje
ze uit de wolken, een en al geheimzinnigheid
en elasticiteit. Later tilde een waas
ze boven de cementen droom van taxie en leven uit.
Dit was de min of meer gebruikelijke
wijze waarop dingen uit- en weer
samenvloeien. Wat we niet konden zien was
verrukkelijk. Juli ging heel snel voorbij.

Meer dan een mankement, meer zelfs
dan cirkels die tegen het midden
en het einde loslaten, was de kaars die onder het gewelf stond
en barre dingen mompelde tegen het weer,
de gevels. Stel je een film voor die lijkt
op iemands leven, dezelfde lengte, dezelfde waarderingscijfers.
Stel je nu voor dat jij erin speelt en de tweede hoofdrol vervult,
een rol die eigenlijk belangrijker is dan die van de opdrachtgevers.
Hoe weet je dat meer dan de helft
voorbij is? Terwijl pastellen toendra
als een mandala van alle kanten toestroomt
kan het kleine meisje nergens heen.
Ze speelt met ons, in onze pronkstoet; je schaamt je
omdat je zo lang bent weg geweest en laat wat dan ook
in de toestand geraken waarin het nu verkeert. Te laat, de berenkop
op de schoorsteen loopt rood aan van eenzame
archetypische ergernis over de wijze waarop tijd zojuist verstreek.

Het is te laat voor de huzaren en de gebogen figuur
op de achtergrond: toen ik jong was dacht ik
dat hij een tovenaar was, of misschien een vergeten
charlatan uit een verre hoofdstad. Nu weet ik dat niet zo zeker meer.

Net als in het openingsgedicht van A Worldly Country staat ook in dit tweede gedicht de tijd – als ‘grootheid van de voortgang en opeenvolging van de gebeurtenissen als een ononderbroken stroom’ – centraal. Meer specifiek: het besef dat de tijd snel gaat.

En wie, net als ik, in ‘de gebogen figuur op de achtergrond’ de man met de zeis ziet, hoort uit dit gedicht de prangende vraag opklinken – Ashbery werd tachtig in 2007 – ‘Wanneer zal het mijn tijd zijn?’

John Ashbery, 2020 © Ton van ’t Hof

Een wereldse streek

Naar de latere gedichten van John Ashbery is in tegenstelling tot zijn eerdere werk nog nauwelijks diepgaand onderzoek gedaan. Ashbery werd negentig en publiceerde in de laatste twintig jaar van zijn leven nog elf bundels met nieuwe gedichten, meer dan een derde van zijn totale poëtische oeuvre.

In het jaar dat Ashbery tachtig werd, in 2007, werd A Worldly Country uitgebracht. Deze bundel wordt als een van zijn successtukken beschouwd. Ik heb het titelgedicht, waarmee de bundel ook opent, vertaald.

EEN WERELDSE STREEK

Niet de vreedzaamheid, niet de waanzinnige klokken op het plein,
de geur van het bemeste stadsperkje,
niet de stoffering, de bijtende spot van Tweety,
niet de verse troepen die toe waren aan een opfrisbeurt. Als het
real time plaatsvond, was het oké, en als het romantijd betrof
was het ook oké. Vanuit paleis en krot
overstroomde de grote parade laan en zijweg
en knollenvelden veranderden in een snelweg.
Overgebleven bonbons werden gevoerd aan krielen
en ganzen, die ploertig bliezen.
De rust van de badkamer was verstoord, net als van de porseleinkast
en de banken, waar niemand geld kwam storten.
Kortom, die bonte middag brak de hel los.
Tegen de avond heerste er weer een vredige sfeer. Een maansikkeltje
hing in de lucht als een papegaai op zijn stokje.
Vertrekkende gasten glimlachten en riepen: ‘Tot in de kerk!’
Nacht wist zoals gewoonlijk wat hij deed
en bood slaap ter compensatie van het grote losmaken
dat morgen zeker weer brengen zou.
Terwijl ik de zwijgende puinhopen aanstaarde
bracht één ding me in verwarring: wat was er gebeurd en waarom?
Het ene moment waren we druk in de weer met opstandigheid,
het andere moment was vrede door de linies van helsheid gebroken.

Het gebeurt zo vaak dat de tijd waarin we ronddraaien
rap de zandbank wordt waarop onze lullige skiff zal vastlopen.
En zoals golven verankerd zijn aan de bodem van de zee
moeten wij de ondieptes bereiken voordat God ons bevrijdt.

Tijd. Daar gaat dit gedicht over. Dat tijd verstrijkt. Dat tijden veranderen. Dat alles zijn tijd heeft. Dat sommige dingen van alle tijden zijn. Et cetera. En, vooruit, ook over vuig Amerika, waar Bush junior indertijd de scepter zwaaide en zinloze oorlogen voerde in Afghanistan en Irak.

Maar wat is de pointe van dit gedicht? Is er überhaupt een pointe? Dat de boel stelselmatig door elkander ligt? Dat dát de grondtoon van ons leven is? Mogelijk. Zoveel hoofden, zoveel zinnen. Wie een gedicht van Ashbery leest, raakt op drift, zoveel is zeker.

John Ashbery, ca. 2005

Koersstijging

John Ashbery. Ik kan me suf peinzen over gedichten van John Ashbery. Zeker geen onaangename bezigheid, integendeel. Veel van zijn gedichten lijken iets essentieels uit te drukken, wat me telkens weer als water door de vingers glipt. Uit zijn bundel Planisphere (2009):

KOERSSTIJGING

We zaten daar en
ik maakte een grapje over hoe
de boel niet goed aansluit: tijd,
een minuut die sneller
verloopt dan zijn voorganger,
hem inhaalt.
Op die manier, zei ik,
gaat er niets verloren.
Verlies wordt praktisch geëlimineerd.

Om voor een paar uur terug te keren tot
het onderwerp in kwestie, een schilderij,
eruitziend alsof het was gezien,
half omgedraaid, enigszins ongerust,
maar het moet letten op
wat er in het vooruitzicht staat: een zienswijze.
Daarom lost poëzie op in
glinsterende nattigheid en leest ons
voor ons.
Een vaag idee. Te veel woorden,
maar waardevol.

Als kind krijg je al mee dat je je tijd nuttig moet besteden, niet moet verdoen. Tijd is kostbaar, tijd vliegt! Maar dat we niet zouden mogen lummelen leggen we onszelf op, wordt ons niet door de wet voorgeschreven. Het is een zienswijze, opvatting waar we, meestal, naar handelen.

Zienswijzen worden doorgaans a posteriori gevormd, achteraf. We vinden iets van een schilderij nadat we het hebben gezien, of van een gedicht nadat we het hebben gelezen.

Maar poëzie is, voor Ashbery, geen zienswijze, van de dichter of wie dan ook. Poëzie laat ons iets opmaken uit onszelf, over onszelf, wat niet scherp omlijnd is maar wel een grote waarde heeft, meer dan voldoende om je je ermee bezig te houden.

En zo peins ik verder. Wat als er in de kern niets wordt aangetroffen of uitsluitend een platitude?

John Ashbery, 1995