Een wereldse streek

De lullige skiff van John Ashbery

Naar de latere gedichten van John Ashbery is in tegenstelling tot zijn eerdere werk nog nauwelijks diepgaand onderzoek gedaan. Ashbery werd negentig en publiceerde in de laatste twintig jaar van zijn leven nog elf bundels met nieuwe gedichten, meer dan een derde van zijn totale poëtische oeuvre.

In het jaar dat Ashbery tachtig werd, in 2007, werd A Worldly Country uitgebracht. Deze bundel wordt als een van zijn successtukken beschouwd. Ik heb het titelgedicht, waarmee de bundel ook opent, vertaald.

EEN WERELDSE STREEK

Niet de vreedzaamheid, niet de waanzinnige klokken op het plein,
de geur van het bemeste stadsperkje,
niet de stoffering, de bijtende spot van Tweety,
niet de verse troepen die toe waren aan een opfrisbeurt. Als het
real time plaatsvond, was het oké, en als het romantijd betrof
was het ook oké. Vanuit paleis en krot
overstroomde de grote parade laan en zijweg
en knollenvelden veranderden in een snelweg.
Overgebleven bonbons werden gevoerd aan krielen
en ganzen, die ploertig bliezen.
De rust van de badkamer was verstoord, net als van de porseleinkast
en de banken, waar niemand geld kwam storten.
Kortom, die bonte middag brak de hel los.
Tegen de avond heerste er weer een vredige sfeer. Een maansikkeltje
hing in de lucht als een papegaai op zijn stokje.
Vertrekkende gasten glimlachten en riepen: ‘Tot in de kerk!’
Nacht wist zoals gewoonlijk wat hij deed
en bood slaap ter compensatie van het grote losmaken
dat morgen zeker weer brengen zou.
Terwijl ik de zwijgende puinhopen aanstaarde
bracht één ding me in verwarring: wat was er gebeurd en waarom?
Het ene moment waren we druk in de weer met opstandigheid,
het andere moment was vrede door de linies van helsheid gebroken.

Het gebeurt zo vaak dat de tijd waarin we ronddraaien
rap de zandbank wordt waarop onze lullige skiff zal vastlopen.
En zoals golven verankerd zijn aan de bodem van de zee
moeten wij de ondieptes bereiken voordat God ons bevrijdt.

Tijd. Daar gaat dit gedicht over. Dat tijd verstrijkt. Dat tijden veranderen. Dat alles zijn tijd heeft. Dat sommige dingen van alle tijden zijn. Et cetera. En, vooruit, ook over vuig Amerika, waar Bush junior indertijd de scepter zwaaide en zinloze oorlogen voerde in Afghanistan en Irak.

Maar wat is de pointe van dit gedicht? Is er überhaupt een pointe? Dat de boel stelselmatig door elkander ligt? Dat dát de grondtoon van ons leven is? Mogelijk. Zoveel hoofden, zoveel zinnen. Wie een gedicht van Ashbery leest, raakt op drift, zoveel is zeker.

John Ashbery, ca. 2005

Koersstijging

Poëzie is geen zienswijze voor Ashbery

John Ashbery. Ik kan me suf peinzen over gedichten van John Ashbery. Zeker geen onaangename bezigheid, integendeel. Veel van zijn gedichten lijken iets essentieels uit te drukken, wat me telkens weer als water door de vingers glipt. Uit zijn bundel Planisphere (2009):

KOERSSTIJGING

We zaten daar en
ik maakte een grapje over hoe
de boel niet goed aansluit: tijd,
een minuut die sneller
verloopt dan zijn voorganger,
hem inhaalt.
Op die manier, zei ik,
gaat er niets verloren.
Verlies wordt praktisch geëlimineerd.

Om voor een paar uur terug te keren tot
het onderwerp in kwestie, een schilderij,
eruitziend alsof het was gezien,
half omgedraaid, enigszins ongerust,
maar het moet letten op
wat er in het vooruitzicht staat: een zienswijze.
Daarom lost poëzie op in
glinsterende nattigheid en leest ons
voor ons.
Een vaag idee. Te veel woorden,
maar waardevol.

Als kind krijg je al mee dat je je tijd nuttig moet besteden, niet moet verdoen. Tijd is kostbaar, tijd vliegt! Maar dat we niet zouden mogen lummelen leggen we onszelf op, wordt ons niet door de wet voorgeschreven. Het is een zienswijze, opvatting waar we, meestal, naar handelen.

Zienswijzen worden doorgaans a posteriori gevormd, achteraf. We vinden iets van een schilderij nadat we het hebben gezien, of van een gedicht nadat we het hebben gelezen.

Maar poëzie is, voor Ashbery, geen zienswijze, van de dichter of wie dan ook. Poëzie laat ons iets opmaken uit onszelf, over onszelf, wat niet scherp omlijnd is maar wel een grote waarde heeft, meer dan voldoende om je je ermee bezig te houden.

En zo peins ik verder. Wat als er in de kern niets wordt aangetroffen of uitsluitend een platitude?

John Ashbery, 1995