Herderslied

De herstart van George Oppen

Na publicatie van zijn eerste dichtbundel in 1934 hield George Oppen op met het schrijven van poëzie. Hij was in die tijd overtuigd marxist en lid van de Amerikaanse Communistische Partij. Hij zag het nut van poëzie niet in voor de zaak waar hij voor stond en wilde ook niet het soort gedichten schrijven – socialistisch realistisch – waar de Partij om vroeg.

Maar vijfentwintig jaar later hervond Oppen, die intussen de Communistische Partij had verlaten, zijn vertrouwen in de poëzie en begon weer met het schrijven van gedichten. Het was hem ditmaal vooral te doen om een verkenning van de mogelijkheden van poëtische taal en niet zozeer om het opbouwen van een oeuvre. Hij had zijn zinnen gezet op de deconstructie van sleetse discoursen en het onder woorden brengen van waarheid.

In 1962 publiceerde Oppen zijn tweede bundel, The Materials, die opent met het gedicht ‘Eclogue’, waarin mens tegenover natuur wordt gezet.

HERDERSLIED

De pratende mannen
In het midden van de kamer. Ze hebben meer gezegd
Dan ze van plan waren.

Pinpointend in het rumoer
Van de woonkamer

Een aanval
Op het rustige continent.

Achter het raam
Vlees en rots en honger

Losjes in de nachtelijke lucht
Verhard in de aarde

Uit zichzelf weer naar de zon draaiend, kleine
Vegetatieve bladeren
En stengels buiten

Plaatsgrijpend – O kleintjes,
Om geboren te zijn!

Gewoonlijk wordt in herdersliederen het landleven bezongen, dat zorgeloos zou zijn en onbedorven. Maar Oppen doorkruist de idylle door harde realiteit te schetsen: mensen hebben zich achter glas verschanst voor de natuur, die zij in hun exploitatiedrang zullen blijven attaqueren. En uit de typering ‘vlees en rots en honger’ kan worden afgeleid dat ook de natuur niet een en al lieflijkheid is. Toch schaart Oppen zich aan de zijde van Moeder Natuur, die hem in al haar variatie, noodzakelijkheid en eigenzinnigheid blijft verbazen. De toegezwaaide lof in de laatste strofe doet wél denken aan een herderslied. Wat een terugkeer naar de poëzie!

• Oppen, G. (2002). New Collected Poems. New Directions.

George Oppen, ca. 1960

Ik merk dat ik alles vergeet

Over een kladje van George Oppen

In 1984 overleed George Oppen op 76-jarige leeftijd aan de gevolgen van alzheimer. Zijn laatste bundel was in 1978 verschenen. Hij liet tientallen ongepubliceerde gedichten na, al dan niet voltooid. Boven zijn bureau hingen kladjes met invallen en aanzetten tot verzen.

Eén van Oppens kladjes verwijst direct naar de ziekte van Alzheimer, die zich o.a. kenmerkt door geheugenverlies, spraak- en taalproblemen en desoriëntatie.

Ik merk dat ik alles vergeet
waarover gesproken wordt
en de getallen (bv.
hoe je ze vormt
--------------------
ook de getallen

Oppen was een nadenkend mens, zijn hersens zijn belangrijkste wapen. Het vooruitzicht van de verdere aftakeling van zijn verstandelijke vermogens moet hem angst hebben ingeboezemd, veel verdriet hebben bezorgd, dat in de afsluitende regel doorklinkt in het woordje ‘ook’. Hetzelfde verdriet dat ik in de ogen van mijn eigen moeder heb zien staan.

George Oppen, ca. 1970

Een theologische definitie

Het geluk van George Oppen

Wat is geluk? Volgens Van Dale een ‘aangename toestand waarin men zijn wensen bevredigd ziet en vrede heeft met zichzelf en zijn omgeving’. We nemen geluk niet met zintuigen waar, maar zíjn gelukkig. Of niet. In het gedicht ‘A Theological Definition’, uit zijn bekroonde bundel Of Being Numerous (1968), brengt George Oppen, die geenszins gelovig was, geluk in verband met aardse zaken, die hij nauwkeurig omschrijft.

EEN THEOLOGISCHE DEFINITIE

Een kleine kamer, een gelakte vloer
Die een L maakt om het bed,

Wat is of is zo waar als
Geluk

Ramen die uitkijken op zee
De groen geverfde balustrade van het balkon
Tegen de rots, het struikgewas en de bruisende golven

Oppen moet zich in deze omgeving happy hebben gevoeld, en zich hebben gerealiseerd dat geluk in de kleine dingen zit. Goddelijk, was het woord dat in hem opkwam. En dat zette hem aan tot het schrijven van dit gedicht.

Geboorteplaats: New Rochelle

De knokkels van George Oppen

George Oppen werd in 1908 geboren in New Rochelle, dat even ten noorden van New York aan de kust ligt. Hij debuteerde als dichter in 1934, waarna hij politiek actief werd. Pas in 1962 verscheen zijn tweede bundel, The Materials. Daaruit vertaalde ik ‘Birthplace: New Rochelle’, waarin Oppen terugblikt op een bezoek aan zijn ouderlijk huis, vergezeld van vrouw en dochter.

Oppens gedichten hebben dikwijls de vorm van een gedachtegang, waarbinnen ideeën, inzichten of standpunten ontstaan. Het vers was voor hem een soort laboratorium voor onderzoek naar meesttijds existentiële kwesties.

GEBOORTEPLAATS: NEW ROCHELLE

Terug naar dat huis
En de keien uit mijn jeugd – Ze zijn goed bewaard gebleven.

Een wereld aan dingen.

Een oudere man,
De knokkels van mijn hand,
Zo knokkelig! Ben ik dat?

Het huis,
Ooit van mijn vader, en de grond. Er zit een kleur uit zijn tijd
In het zonlicht.

Een generatiespoor.
Het vraagt om aandacht. Mijn kind,
Nu geen kind meer, ons kind
Dat niet helemaal alleen is in een eenzame wereld die wordt getroffen
door tijd
Als stenen in de zon. Wij niet.

Een mijmering over de dingen die voorbijgaan, die eindigt bij de constatering dat niet alles even vergankelijk is. Maakt het feit dat mensen in elkaars gezelschap zijn de tijdelijkheid draaglijker?

George, Mary & Linda Oppen, ca. 1941