Koersstijging

Poëzie is geen zienswijze voor Ashbery

John Ashbery. Ik kan me suf peinzen over gedichten van John Ashbery. Zeker geen onaangename bezigheid, integendeel. Veel van zijn gedichten lijken iets essentieels uit te drukken, wat me telkens weer als water door de vingers glipt. Uit zijn bundel Planisphere (2009):

KOERSSTIJGING

We zaten daar en
ik maakte een grapje over hoe
de boel niet goed aansluit: tijd,
een minuut die sneller
verloopt dan zijn voorganger,
hem inhaalt.
Op die manier, zei ik,
gaat er niets verloren.
Verlies wordt praktisch geëlimineerd.

Om voor een paar uur terug te keren tot
het onderwerp in kwestie, een schilderij,
eruitziend alsof het was gezien,
half omgedraaid, enigszins ongerust,
maar het moet letten op
wat er in het vooruitzicht staat: een zienswijze.
Daarom lost poëzie op in
glinsterende nattigheid en leest ons
voor ons.
Een vaag idee. Te veel woorden,
maar waardevol.

Als kind krijg je al mee dat je je tijd nuttig moet besteden, niet moet verdoen. Tijd is kostbaar, tijd vliegt! Maar dat we niet zouden mogen lummelen leggen we onszelf op, wordt ons niet door de wet voorgeschreven. Het is een zienswijze, opvatting waar we, meestal, naar handelen.

Zienswijzen worden doorgaans a posteriori gevormd, achteraf. We vinden iets van een schilderij nadat we het hebben gezien, of van een gedicht nadat we het hebben gelezen.

Maar poëzie is, voor Ashbery, geen zienswijze, van de dichter of wie dan ook. Poëzie laat ons iets opmaken uit onszelf, over onszelf, wat niet scherp omlijnd is maar wel een grote waarde heeft, meer dan voldoende om je je ermee bezig te houden.

En zo peins ik verder. Wat als er in de kern niets wordt aangetroffen of uitsluitend een platitude?

John Ashbery, 1995

Metonymia

De tik van Joe Wenderoth

Sommigen vinden er niets aan, maar ik wel: gedichten waarbij je je hersens moet gebruiken. Joe Wenderoth schreef er eentje, die is opgenomen in If I Don’t Breathe How Do I Sleep (2014):

METONYMIA

wat beweegt
dit gedicht

Een gedicht over poëzie. Ik hou van gedichten over poëzie. Geen idee waarom, dat is nu eenmaal zo.

Metonymia is een stijlfiguur ‘waarbij in plaats van het bedoelde iets anders genoemd wordt, op grond van een bepaalde betrekking die tussen beide bestaat’. Bijvoorbeeld: ‘Heineken’ zeggen in plaats van ‘bier’. Een lichte betekenisverschuiving valt daarbij zelden te vermijden.

Omdat ‘bewegen’ nogal wat betekenissen heeft – verroeren, ontroeren, aandrijven – en interpunctie ontbreekt, laat dit vers meerdere lezingen toe. Probeer maar. Wel duikt onvermijdelijk de vraag op: welk bedoelde wordt hier iets anders genoemd?

Wenderoth heeft tegen mijn denkraam getikt en me uitgedaagd tot een herschikking van mijn denkpatronen. Dat is de verdienste van dit gedicht.

‘Metonymia’ in plaats van ‘poëzie’?

Welke betrekking bestaat er tussen beide?

Ik merk dat ik alles vergeet

Over een kladje van George Oppen

In 1984 overleed George Oppen op 76-jarige leeftijd aan de gevolgen van alzheimer. Zijn laatste bundel was in 1978 verschenen. Hij liet tientallen ongepubliceerde gedichten na, al dan niet voltooid. Boven zijn bureau hingen kladjes met invallen en aanzetten tot verzen.

Eén van Oppens kladjes verwijst direct naar de ziekte van Alzheimer, die zich o.a. kenmerkt door geheugenverlies, spraak- en taalproblemen en desoriëntatie.

Ik merk dat ik alles vergeet
waarover gesproken wordt
en de getallen (bv.
hoe je ze vormt
--------------------
ook de getallen

Oppen was een nadenkend mens, zijn hersens zijn belangrijkste wapen. Het vooruitzicht van de verdere aftakeling van zijn verstandelijke vermogens moet hem angst hebben ingeboezemd, veel verdriet hebben bezorgd, dat in de afsluitende regel doorklinkt in het woordje ‘ook’. Hetzelfde verdriet dat ik in de ogen van mijn eigen moeder heb zien staan.

George Oppen, ca. 1970

Ode aan alle minor poets

Als je geen lezers hebt

Tot mijn verbazing stuitte ik enkele dagen geleden in mijn digitale Van Dale Groot woordenboek Nederlands op het lemma ‘minor poet’. Ik had niet verwacht dat deze uitdrukking (al) toebehoort aan het Nederlands.

Van Dale omschrijft de minor poet als volgt: ‘minder belangrijke dichter met een bescheiden scheppingsdrang en vaak een aan de persoonlijke ervaringswereld ontleende thematiek’.

Huh? Ik beschouw mezelf als een minor poet, als een dichter met een beperkt lezerspubliek en kleinere oplages, maar bezit evenzogoed grote scheppingsdrang en put bij het dichten slechts sporadisch uit eigen ervaringen.

Mijn woordenboek Engels omschrijft ‘minor poet’ enkel en alleen als ‘minder belangrijke dichter’, wat beter aansluit bij mijn belevingswereld.

Deze week duikelde ik, in een hoekje, ook nog een titelloos gedicht van mijn hand op, dat nog geen onderdak in een bundel heeft gevonden. Naar aanleiding van het bovenstaande diende zich bovendien een titel aan:

ODE AAN ALLE MINOR POETS

Als je geen lezers hebt
roep je er eentje in het leven

met nat haar en een regenjas aan
in een verder lege winkel

gebogen over een stapeltje ramsj
waarop jouw bundel

zachtjes wordt teruggelegd.

Eerst de dieren

De scheppingsdrang van Tijs van Bragt

‘Leven maken,’ zegt Tijs van Bragt in zijn bundel Bonterik Sterrenzager (2019), ‘behoort aan de dichters.’ De strekking ervan is tweevoudig: dichters zijn niet alleen druktemakers, maar ze hebben ook scheppingsdrang. In een titelloos gedicht diept Van Bragt het poëtisch creatieproces verder uit.

Eerst de dieren bij de dieren en de planten bij de planten
en de weefsels in het water vallend.
Boven het land
staan de hemellichamen te nippen aan de horizon
Ik noemde de aarde naar het water en zou
dat naar de hemel dragen

alles wat beweegt vastpakken

een karavaan aan namen rijpen
in mijn hoofd dat klapperbek gaat heten

geeuwbloesem
glaskever
rondklaver
bonterik
sterrenzager

Wie enigszins thuis is in de Bijbel zal in dit vers flarden herkennen van het scheppingsverhaal, zoals dat is opgetekend in Genesis: ‘In het begin schiep God de hemel en de aarde.’ In dat verhaal creëert God alles om in te bewegen en alles wat beweegt: licht, hemel, aarde, hemellichamen, planten, dieren en de mens. Het geven van namen aan de dingen laat hij voor een deel over aan de mens.

Van Bragts gedicht leunt bewust op Genesis. Dankzij deze afhankelijkheid zal de lezer de ‘ik’ in regel vijf associëren met zowel de maker van het gedicht als het Opperwezen. Oftewel de dichter maakt niet alleen veel drukte, maar ziet zich als kunstenaar ook graag God gelijk.

Maar dichters scheppen uiteraard hun eigen wereld, en wel in taal. Telkens weer. In dit vers worden, onder toeziend oog van de hemellichamen, de dieren, de planten en de vissen (‘de weefsels in het water vallend’) eerst gegroepeerd om vervolgens ‘alles wat beweegt’ een naam te kunnen geven.

Dit doet denken aan het moment waarop God in Genesis de naamgeving van de dieren aan de mens overlaat: ‘Toen vormde hij uit aarde alle in het wild levende dieren en alle vogels, en hij bracht die bij de mens om te zien welke namen de mens ze zou geven: zoals hij elk levend wezen zou noemen, zo zou het heten.’

Met de regels ‘Ik noemde de aarde naar het water en zou / dat naar de hemel dragen’ – een vervorming van enkele zinnen uit Genesis – lijkt Van Bragt vooral de eigenheid van de door hem gecreëerde wereld te willen benadrukken. In deze regels trilt ook het gezegde ‘water naar de zee dragen’ mee, wat ‘onnodig werk doen’ betekent, en zou kunnen wijzen op een zekere, vaak gekoesterde nutteloosheid van poëzie.

Fraai zijn de namen die de dichter tot slot bedenkt: ‘klapperbek’ voor (zijn eigen) hoofd, en ‘geeuwbloesem / glaskever / rondklaver / bonterik / sterrenzager’ voor dingen die bewegen. Verzinsels die niet alleen onderstrepen dat de relatie tussen klank en betekenis doorgaans arbitrair is, maar ook, en belangrijker, dat uit het niets iets vormen een fantastische menselijke mogelijkheid is.

Een bijzonder gedicht in een bijzondere bundel.

Is gelijk aan

Volharding volgens Rae Armantrout

Onze voorstellingen zijn onstoffelijk, niet tastbaar. Vluchtig ook. Ze bezitten geen inertie, ‘de eigenschap van lichamen om te volharden in de toestand waarin zij zich bevinden’. Van Dale geeft ook nog twee andere betekenissen van inertie: ‘traagheid’ en ‘daadloosheid’. Rae Armantrout schreef er een gedicht over, ‘Equals’, dat is opgenomen in het formidabele Versed (2009):

IS GELIJK AAN

1.

Alsof, tenslotte,

het ding dat in je opkomt
in het kwadraat
maal inertie

de ‘werkelijkheid’ was.

2.

Een hagedis
die met zijn kop vastzit

in de strot
van een tweede.

Het beeld van de twee hagedissen is zo weerzinwekkend dat het, telkens weer, lang bij me blijft hangen. Armantrout heeft, heel knap, een ietsepietsie inertie aan dit vers weten te verlenen.

En wie voor het ‘ding’ ook eens ‘woord’ of ‘gedicht’ leest zal worden verblijd met nog meer mogelijke duidingen.

Op metaniveau: de ‘verknoopte’ hagedissen als metafoor voor poëzie.

Wie dorst Valdemar

Een gedicht van Tonnus Oosterhoff

Laatst zei iemand tegen me dat Tonnus Oosterhoff nog de enige Nederlandstalige dichter is van wie hij ongezien een nieuwe bundel zou kopen. Waarop ik begrijpend knikte. Uit de bundel Ja Nee (2017):

Wie dorst Valdemar op zijn sterfbed bijten?
Wiemand? Ja. Nee toch.
Wiemand de heimelijke reus, Wiemand de hünenmensch.
(Iemand moest het doen!) Natuurlijk beet hij
en vanzelfsprekend sloeg de ander hem toen dood.
Dus tegen je uitdrukkelijke wens ben je gestorven,
Valdemar, Wiemand.
Je bent gestorven en je wordt begraven
en toen werd je helemaal niet begraven.
De begrafenisondernemer sloop er met de kas vandoor
en de steenhouwer ging bankroet.

Nee.
Ja.
Weet ík waar de lichtknop zit!
Waarne
waar nee de waarnee.

Reuzenepiek. Absurde humor. Uitmondend in een melopeetje. Nuchter zou ik dit vers niet willen noemen, maar plezier geeft het wel.

O

De rimpels van Robert Creeley

Ja, weet je, tuurlijk, de ouderdom komt met gebreken. I know. Maar hoe ga je daarmee om? Adviezen genoeg, hoor, maar uiteindelijk zul je zelf een modus moeten vinden.

Mijn belangrijkste wapens: een meterslange lijst karweitjes, op zijn tijd een schuimend potje bier, een zweempje ironie en heul veul gelatenheid. Wat het onvermijdelijke iets verzoet, maar meer ook niet.

Robert Creeley zette een ander middel in: hij schreef als uitlaatklep gedichten over het aftakelingsproces. Onderstaand vers publiceerde hij in 1990, toen hij 64 was:

O

O, blijf nog even,
slaphangend vel
en broos geworden botten.

Blijf zitten,
gerimpeld gezicht, tanden,
ga niet weg.

Vanbinnen en vanbuiten
het verleppen
van lichaamsdelen,

bewegingsleer,
het verval
van de geest, een en al

echo hier
in gevlekte huid, vertroebeld oog,
herhaald gemompel.

Zucht eens, of geef eens
een teken in het luchtledige
dat ik nog steeds binnenin zit.

Wat een doffe ellende. Grotendeels. Want dit gedicht is toch maar mooi de bevestiging van het feit dat er nog steeds leven zat in de oudere Creeley.

Je moet je piepende lichaam en krakende geest dingen blijven ontfutselen.

Robert Creeley, 1972

Tussen de gebeurtenissen

Observaties van Martin Reints

Bracht de middag aangenaam door: in de zon, met een biertje & de bundel Tussen de gebeurtenissen (2000) van Martin Reints.

Treffende omslagfoto van rijen lege klapstoeltjes, die deel uitmaken van wat Reints in het gedicht ‘Verlaten toneel’ een ‘landschap zonder fouten’ noemt, ‘zonder agenda’.

Reints observeert, zowel buiten- als binnenwereld, en beschrijft, nauwgezet. Regelmatig laat hij zijn gedachten over wat en hoe hij observeert de vrije loop. Vooral die gedichten vind ik sterk.

Hoewel hij weet dat alle waarneming subjectief is probeert Reints toch, door terug te keren ‘naar het begin van het denken / dat zelf eigenlijk nog geen denken is’, glimpen op te vangen van de ware gedaantes van dingen.

Een vers uit deze bundel:

VOORBIJGANG

Ik was gaan liggen in mijn kamer
omdat ik in mijn kamer was
en kennelijk wilde liggen

na een tijd gingen mijn ogen dicht
en het lukte me de vreemde stemmen in mij
met mijn eigen stem te overstemmen

ik was me los gaan roepen van de voorwerpen en
de nabootsingen van voorwerpen en de nabootsingen van
nabootsingen om me heen

die nog werden belaagd door voorbijgang
maar die ik al niet meer zag
nu ik ze niet meer kon zien

toen gebeurde dat ik in mezelf mezelf tot zwijgen bracht

er was geen traagheid van zinnen meer
en niets weerstond nog de granietstilte van de sterrenhemel

ik was niet meer ergens

Lijsterbessen

Vroege poëtica van Rutger Kopland

Zoveel dichters, zoveel poëtica’s. Ieder muzenkind heeft zijn eigen opvattingen over wat poëzie zou moeten zijn. In zijn debuutbundel, Onder het vee (1966), heeft Rutger Kopland één onverholen poëticaal gedicht opgenomen, getiteld ‘Lijsterbessen’, waarin hij de kern van zijn poëtica op dat moment (individuele poëtica’s veranderen nogal eens in de loop van de tijd) uitspreekt:

LIJSTERBESSEN

De dichtkunst beoefenen is
met de grootst mogelijke zorgvuldigheid
constateren dat bijvoorbeeld
in de vroege morgen
de lijsterbessen duizend tranen dragen
als een tekening uit de kindertijd
zo rood en zo veel.

Er zijn verschillende soorten lijsterbessen, hun vruchten geel, oranje of rood. Soms zitten ze zo barstensvol fel gekleurde bessen dat ze een haast onwerkelijke, sublieme aanblik bieden. Ik sta dan altijd even voor ze stil.

Koplands poëticale getuigenis in de eerste drie regels van dit gedicht lijkt eenvoudig: dichten is zorgvuldig constateren, nauwkeurig feiten vaststellen en vastleggen. Maar schijn bedriegt. Het gaat Kopland niet louter om de feiten zelf. Met zijn beschrijving van de lijsterbes wil hij ook gevoelens oproepen, uit onze kindertijd in dit geval, toen bessen nog tranen waren, bloedrood en kriskras op het papier gekwakt, onherkenbaar voor je ouders, maar jij wist precies wat je getekend had.