Oost of west

Stonehouse:

Oost of west noord of zuid en dan weer terug
met kar of paard over land per boot over water
de poort naar roem en rijkdom is even ver weg als de hemel
toch werken miljoenen zich uit de naad om het te bereiken

Ik steeg

Stonehouse:

Ik steeg wandelstok in de hand voorbij de pijnbomen
en kwam op een smaragdgroene top aan
een zwerm kraanvogels zat een havik achterna
bomen wierpen hun schaduwen op de beekjes
doornen ontmoedigen het plukken van wilde vruchten
en kruiden herken je gemakkelijk aan hun geur
rookslierten versluierden de zakkende zon
de halve klif werd belommerd door rode bladeren

Het leven is van korte duur

Stonehouse:

Het leven is van korte duur
dus waarom zou je in cirkeltjes ronddraaien
als er niets meer in huis is ga ik op zoek naar bataten
als mijn pij moet worden opgelapt overweeg ik lotusbladeren
ik heb de elandenstaart neergelegd en ben gestopt met preken
en in mijn verstofte soetra's zit de papiermot
ik heb te doen met eenieder die een monnikspij draagt
en druk is met zijn doelen en verknochtheden

Als teken van autoriteit bezat een abt in China soms een elandenstaart. Stonehouse vervulde enkele jaren de functie van abt.

Een monnik alleen

De boeddhistische monnik Stonehouse (1272-1352) leefde ruim veertig jaar in afzondering in de bergen ten zuidwesten van Shanghai. ‘Stonehouse’ is een pseudoniem, zijn echte naam weten we niet. Tijdens zijn verblijf in de bergen schreef hij meer dan honderdtachtig gedichten, die in de jaren tachtig van de vorige eeuw voor het eerst naar het Engels werden vertaald. In 2014 herzag vertaler Bill Porter, alias Red Pine, zijn eerdere bewerkingen: The Mountain Poems of Stonehouse.

In de komende weken zal ik een paar van deze prachtverzen overzetten van het Engels naar het Nederlands.

Een monnik alleen zit stil en ontspannen
hij leeft het hele jaar van wat karma brengt
bamboe en gele bloemen vereenvoudigen zijn gedachten
zijn leven is zo simpel als een wolkje of een beek
hij houdt een rots niet voor een tijger op een heuvel
of de reflectie van een boog voor een slang in zijn kom
in het bos vergeet hij wereldse zaken
volgt bij zonsondergang de terugvliegende kraaien

*

A monk on his own sits quiet and relaxed
he survives all year on what karma brings
bamboo and yellow flowers simplify his thoughts
his life is as plain as a cloud or a stream
he doesn’t mistake a rock for a tiger on a hill
or the image of a bow for a snake in his bowl
oblivious in the woods to worldly affairs
at sunset he watches the crows flying back

Een ogenblik van niets

Een briefkaart met een gedicht van K. Schippers, afkomstig uit zijn bundel Fijn dat u luistert (2014). De kaart is gedrukt door Tungsten Pers.

Zou er werkelijk niets achter dit gedicht schuilen?

Grond

In petrichor #5, plezierige podiumkrant voor poëzie en beeldende kunst, trok een gedicht van Marije Langelaar mijn aandacht: als reactie op de toegenomen preutsheid, als werkje in het weinig beoefende genre wellustige poëzie.

En geslaagd, wat mij betreft, in beide opzichten:

GROND

Ik zat met mijn gloeiende kut op de aarde
Mijn gloeiende kut en ik.

Ik wachtte op iets.
Terwijl ik niet wist wat precies.

Mijn klit schuurde over de graspollen.
Ik voelde elke zandkorrel.

Mijn gloeiende kut en ik.

Moederkruid

‘To read a John Ashbery poem is to be scrutinized by it,’ schreef Paul Muldoon in 2017 in een in memoriam. Waarmee hij bedoelde dat Ashbery’s poëzie je aanzet tot zelfbespiegeling, zelfonderzoek.

Zelf heb ik het idee dat Ashbery telkens een spelletje speelt met mijn drang tot duiding, interpretatie. Niet van mezelf, maar van het gedicht: wat zou het kúnnen betekenen?

Ik kom er zelden uit, blijf meestal met lege handen achter, maar heb me altijd vermaakt.

Het vierde gedicht uit Ashbery’s bundel A Worldly Country (2008), ‘Feverfew’, luidt als volgt:

MOEDERKRUID

Het is allemaal lang geleden gebeurd –
een dikke, troebele neerslag
van een bepaalde periode die afliep
zoals rioolputten verzakken. Woede op de weg had flanken doorbroken;
alles was onzeker op de Via Negativa
behalve de zekerheid van terugkeer, terugkeer
naar het om en nabij.

’s Nachts en ’s ochtends klonk er een hoorn,
die de volgelingen opriep tot gebed, de afvalligen tot plezier.
In dat onmogelijke steegje ademde ik eerst uit
een grapje voor je koddige gepaneerde lippen:
Wat als we allemaal niet weten wat ons allemaal overkomen is,
het lied dat om middernacht begint,
de droom later, van ezelsoor en mos
vlakbij waar Acheron indertijd stroomde?

Maar nu ben ik alleen, ik kwam omdat je huilde en ik moest.
Gevlochten schors dempt de klopper, maar de deurbel
dringt diep door in de hersens van iemand die hier woonde.
O akelig wolkendek en tricky,
ondubbelzinnig is de maan.

‘Moederkruid’ is een plantje dat vroeger werd gebruikt om weeën op te wekken en kraamvrouwenkoorts te verdrijven.

‘Via Negativa’ is een theologische praktijk waarin je God benadert door te zeggen wat hij níet is.

‘Acheron’ is de rivier van het leed waarover Charon de veerman de schimmen van de doden naar de onderwereld bracht.

Mogelijke strekking van dit gedicht? Tja, zeg het maar.

John Ashbery, ca. 1955

Een ochtend in maart

De Faeröer ligt tussen Schotland en IJsland in de Atlantische Oceaan. Er wonen ruim vijftigduizend mensen en de eilandengroep is even groot als Friesland, Groningen, Drenthe en Overijssel samen. Het regent er veel en het is er nooit erg warm of koud. In de wintermaanden zien Faeröerders slechts een enkele keer de zon. Een klimaatsite riep de eilandengroep uit tot een van ‘de meest sombere bestemmingen ter wereld’.

In 2008 verscheen bij Uitgeverij Wilde Aardbeien een bloemlezing Faeröerse poëzie: Windvlinders. In deze tweetalige bundeling las ik dat Gudrid Helmsdals gedicht ‘Ochtend in maart’, dat in 1971 werd gepubliceerd, een ‘ware cultstatus’ heeft verworven. Het luidt in Roald van Elswijks vertaling als volgt:

OCHTEND IN MAART

Ochtend
in maart

Mijn hart:
een scholekster

Vliegt
naar jou

Nadat ik het gedicht drie of vier keer had gespeld, at ik een mandarijntje. Daarna viel het kwartje. Die scholekster vliegt niet naar een ander, maar naar dat hart! Na vier natte donkere maanden wordt een scholekster gezien, een hartverwarmende voorbode van de lente, van meer licht. Iets waar iedere Faeröerder in maart, begreep ik eindelijk, reikhalzend naar uitziet.

Streepjespatroon

In zijn bespreking van A Worldly Country omschrijft Forrest Gander de late John Ashbery als een dichter die niet alleen clichés laat zingen, maar ook morrelt aan de syntaxis, opdat lezers hun pas inhouden en het ‘continuüm’ kunnen zien, van het leven in het algemeen en de Amerikaanse geschiedenis, inclusief haar taal, in het bijzonder.

Mooie maar ook wat vergezochte woorden. Ahsbery was geen dichter die een programma had, maar iemand die intuïtief handelde. Naarmate hij ouder werd ging hij steeds explicieter op zijn esthetische gevoel voor taal af en schoof betekenis nog verder naar het tweede plan. De oudere Ashbery liet vorm definitief boven inhoud prevaleren, virtuositeit boven idealisme.

Neem het derde gedicht van A Worldly Country, dat van een betoverende schoonheid is, maar waar je geen donder van snapt:

STREEPJESPATROON

Bij het passeren van de lage brug geeft je lot lucht
aan een scheldkanonnade. De kastanjebomen
laten hun bladeren één voor één vallen. Terwijl het ene
na het andere gespreksonderwerp werd aangesneden, liet de deur
telkens een enkele bezoeker toe. Waarom ook niet?

Was dit de reden dat we aandachttrekkende
momenten op het plein schuwden nadat de zon
was uitgemokt? Er waren konijnen in de oase
en wij wisten van niets, al helemaal niet
van opeengepakte nogahandelaren. Eén
slaapliedje voor iedereen. Het verhoor kent geen clausule,
alleen lichtvoetige reuzen die perspectief schrokken
of eenzaamheid komen voor zichzelf op, kleurloosheid
die contrasteert met lichtpillen.

Diagnostische pijlen

Het lijkt gemakkelijk, maar dat is het niet: het maken van een boeiend collagegedicht. Iedereen kan snippers knippen en samenvoegen tot een geheel, maar niet iedereen zal met zijn of haar werkstukje ook de aandacht van de kijker-lezer gevangen kunnen houden.

Met het gedicht ‘Concordance’, dat uit zestig collage’s bestaat en is opgenomen in de bundel Concordance, weet Susan Howe mijn nieuwsgierigheid te prikkelen. Ze knipte en verwerkte snippers uit ‘oude concordanties op en facsimile-uitgaven van Milton, Swift, Herbert, Browning, Dickinson, Coleridge en Yeats, en uit veldgidsen over vogels, stenen en bomen’.

Een concordantie is een ‘alfabetisch register van alle in een tekst voorkomende woorden met aanwijzing van de plaats waar zij staan’.

Ik zoom op een van de collages in:

Deze snippers zijn niet alleen op esthetische wijze geschikt, maar het geheel heeft ook een betekenisvolle inhoud:

DIAGNOSTISCHE PIJLEN

mezelf uit
mezelf naar mijn au
om een gedicht te schrijven

Dit is een korte verhandeling over de dichtkunst zelve, die me aan Kloos deed denken: kunst is de aller-individueelste expressie van de aller-individueelste emotie. Beschrijf wat er omgaat in je ziel; een romantische opvatting over poëzie.

Het meervoud ‘pijlen’ bracht me op de gedachte dat het hier om twee diagnoses draait: (1) die van de kunst van het dichten, en (2) die, eenmaal uitgestort, van de zielenroerselen van de lyricus. Ik bedoel maar.

Wat een gedicht niet allemaal los kan maken.

Vuisten

Godspeed You! Black Emperor. Ik zag ze vier keer live optreden. De eerste keer vloog ik er zelfs voor naar Engeland toe: Norwich. Dat was meteen hun beste optreden. Ze speelden alle nummers van hun beste plaat, Lift Your Skinny Fists Like Antennas to Heaven.

Gisteravond beluisterde ik hem weer eens, voor de zoveelste keer. Halverwege schoot me te binnen dat ik ooit een gedicht schreef, waarin de titel van deze plaat is verwerkt. Dat gedicht heet ‘Lijdensdruk’ en is opgenomen in Ingangspunt (2013):

LIJDENSDRUK

Door rechtuit te schrijven

kun je breken

met het postmodernisme.

Een zenuwinzinking is simpelweg wat het is.

Ik ben bereid tot een bekentenis. Het kan uit de hand lopen.

Steek je vuisten omhoog

als antennes

naar de hemelboog.

In dit gedicht, en deze bundel, breek ik, zij het voor even, met de postmoderne – talige – poëzie die ik ervoor schreef en word persoonlijk. Heel persoonlijk. Ik leed in deze periode aan een zenuwinzinking en allerhande lichamelijke ongemakken, liep niet veel later zelfs leukemie op.

Ik zocht een uitweg uit mijn malaise – ‘lijdensdruk’, een term uit de psychoanalyse, verwijst hiernaar – en daalde hiertoe af in mijzelf, ontblootte mezelf. Ingangspunt is dan ook het extract van een crisisjaar, de omhoog gestoken vuisten een aansporing om moed te houden.

Meesterdrukker Wolfram Swets drukte het openingsgedicht nog meesterlijk af op een kaart: