Eerst de dieren

De scheppingsdrang van Tijs van Bragt

‘Leven maken,’ zegt Tijs van Bragt in zijn bundel Bonterik Sterrenzager (2019), ‘behoort aan de dichters.’ De strekking ervan is tweevoudig: dichters zijn niet alleen druktemakers, maar ze hebben ook scheppingsdrang. In een titelloos gedicht diept Van Bragt het poëtisch creatieproces verder uit.

Eerst de dieren bij de dieren en de planten bij de planten
en de weefsels in het water vallend.
Boven het land
staan de hemellichamen te nippen aan de horizon
Ik noemde de aarde naar het water en zou
dat naar de hemel dragen

alles wat beweegt vastpakken

een karavaan aan namen rijpen
in mijn hoofd dat klapperbek gaat heten

geeuwbloesem
glaskever
rondklaver
bonterik
sterrenzager

Wie enigszins thuis is in de Bijbel zal in dit vers flarden herkennen van het scheppingsverhaal, zoals dat is opgetekend in Genesis: ‘In het begin schiep God de hemel en de aarde.’ In dat verhaal creëert God alles om in te bewegen en alles wat beweegt: licht, hemel, aarde, hemellichamen, planten, dieren en de mens. Het geven van namen aan de dingen laat hij voor een deel over aan de mens.

Van Bragts gedicht leunt bewust op Genesis. Dankzij deze afhankelijkheid zal de lezer de ‘ik’ in regel vijf associëren met zowel de maker van het gedicht als het Opperwezen. Oftewel de dichter maakt niet alleen veel drukte, maar ziet zich als kunstenaar ook graag God gelijk.

Maar dichters scheppen uiteraard hun eigen wereld, en wel in taal. Telkens weer. In dit vers worden, onder toeziend oog van de hemellichamen, de dieren, de planten en de vissen (‘de weefsels in het water vallend’) eerst gegroepeerd om vervolgens ‘alles wat beweegt’ een naam te kunnen geven.

Dit doet denken aan het moment waarop God in Genesis de naamgeving van de dieren aan de mens overlaat: ‘Toen vormde hij uit aarde alle in het wild levende dieren en alle vogels, en hij bracht die bij de mens om te zien welke namen de mens ze zou geven: zoals hij elk levend wezen zou noemen, zo zou het heten.’

Met de regels ‘Ik noemde de aarde naar het water en zou / dat naar de hemel dragen’ – een vervorming van enkele zinnen uit Genesis – lijkt Van Bragt vooral de eigenheid van de door hem gecreëerde wereld te willen benadrukken. In deze regels trilt ook het gezegde ‘water naar de zee dragen’ mee, wat ‘onnodig werk doen’ betekent, en zou kunnen wijzen op een zekere, vaak gekoesterde nutteloosheid van poëzie.

Fraai zijn de namen die de dichter tot slot bedenkt: ‘klapperbek’ voor (zijn eigen) hoofd, en ‘geeuwbloesem / glaskever / rondklaver / bonterik / sterrenzager’ voor dingen die bewegen. Verzinsels die niet alleen onderstrepen dat de relatie tussen klank en betekenis doorgaans arbitrair is, maar ook, en belangrijker, dat uit het niets iets vormen een fantastische menselijke mogelijkheid is.

Een bijzonder gedicht in een bijzondere bundel.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s