Aan de rand van

Bart Meuleman, BAP 2019

[19.10.2020] Herlas Bart Meulemans bundel Omdat ik ziek werd (2008), die werd genomineerd voor de VSB Poëzieprijs. Is me opnieuw goed bevallen: overtuigend gestileerde ontreddering. Helaas bracht Meuleman sindsdien niet één dichtbundel meer uit.¹ Ik bestelde nog wel een tweedehands exemplaar van Hulp (2004), die eveneens op de nominatie stond voor de VSB. Een gedicht uit Omdat ik ziek werd:

aan de rand van het dak; een plek om paarden
los te laten,
dieren die het altijd wel redden.

bij bewondering van schoonheid moeten de longen zich
even stilhouden
tieren de handboeken.

luister niet.
je weet

hoe lucht noodzakelijk is
aan de rand van het dak
en hard de ondergrond der dromen.

[20.10.2020] Ben halverwege The Best American Poetry 2019 en het valt niet mee: op een enkele uitschieter na, middelmaat. Trend: lange gedichten, prozaïsche stijl, straf tempo, anekdotisch. Gastredacteur Major Jackson: ‘Hoewel ik zonder uitgangspunt, agenda of esthetische voorkeur vertrok, voelde ik me aangetrokken tot gedichten die mijn aandacht opeisten en me sprakeloos maakten, die me in verbazing achterlieten over hun monumentale taalvaardigheid en nieuwsgierigheid.’ Een zekere mate van gezwollenheid kan Jackson niet worden ontzegt. En opnieuw: een autoriteit zonder beginselprogramma. Wat garant staat voor: glibberigheid.

¹Later, na publicatie van dit bericht, attendeerde Maarten Buser me op Meulemans bundel Mijn soort muziek, die in 2015 verscheen.

Een wereldse streek

De lullige skiff van John Ashbery

Naar de latere gedichten van John Ashbery is in tegenstelling tot zijn eerdere werk nog nauwelijks diepgaand onderzoek gedaan. Ashbery werd negentig en publiceerde in de laatste twintig jaar van zijn leven nog elf bundels met nieuwe gedichten, meer dan een derde van zijn totale poëtische oeuvre.

In het jaar dat Ashbery tachtig werd, in 2007, werd A Worldly Country uitgebracht. Deze bundel wordt als een van zijn successtukken beschouwd. Ik heb het titelgedicht, waarmee de bundel ook opent, vertaald.

EEN WERELDSE STREEK

Niet de vreedzaamheid, niet de waanzinnige klokken op het plein,
de geur van het bemeste stadsperkje,
niet de stoffering, de bijtende spot van Tweety,
niet de verse troepen die toe waren aan een opfrisbeurt. Als het
real time plaatsvond, was het oké, en als het romantijd betrof
was het ook oké. Vanuit paleis en krot
overstroomde de grote parade laan en zijweg
en knollenvelden veranderden in een snelweg.
Overgebleven bonbons werden gevoerd aan krielen
en ganzen, die ploertig bliezen.
De rust van de badkamer was verstoord, net als van de porseleinkast
en de banken, waar niemand geld kwam storten.
Kortom, die bonte middag brak de hel los.
Tegen de avond heerste er weer een vredige sfeer. Een maansikkeltje
hing in de lucht als een papegaai op zijn stokje.
Vertrekkende gasten glimlachten en riepen: ‘Tot in de kerk!’
Nacht wist zoals gewoonlijk wat hij deed
en bood slaap ter compensatie van het grote losmaken
dat morgen zeker weer brengen zou.
Terwijl ik de zwijgende puinhopen aanstaarde
bracht één ding me in verwarring: wat was er gebeurd en waarom?
Het ene moment waren we druk in de weer met opstandigheid,
het andere moment was vrede door de linies van helsheid gebroken.

Het gebeurt zo vaak dat de tijd waarin we ronddraaien
rap de zandbank wordt waarop onze lullige skiff zal vastlopen.
En zoals golven verankerd zijn aan de bodem van de zee
moeten wij de ondieptes bereiken voordat God ons bevrijdt.

Tijd. Daar gaat dit gedicht over. Dat tijd verstrijkt. Dat tijden veranderen. Dat alles zijn tijd heeft. Dat sommige dingen van alle tijden zijn. Et cetera. En, vooruit, ook over vuig Amerika, waar Bush junior indertijd de scepter zwaaide en zinloze oorlogen voerde in Afghanistan en Irak.

Maar wat is de pointe van dit gedicht? Is er überhaupt een pointe? Dat de boel stelselmatig door elkander ligt? Dat dát de grondtoon van ons leven is? Mogelijk. Zoveel hoofden, zoveel zinnen. Wie een gedicht van Ashbery leest, raakt op drift, zoveel is zeker.

John Ashbery, ca. 2005

Herderslied

De herstart van George Oppen

Na publicatie van zijn eerste dichtbundel in 1934 hield George Oppen op met het schrijven van poëzie. Hij was in die tijd overtuigd marxist en lid van de Amerikaanse Communistische Partij. Hij zag het nut van poëzie niet in voor de zaak waar hij voor stond en wilde ook niet het soort gedichten schrijven – socialistisch realistisch – waar de Partij om vroeg.

Maar vijfentwintig jaar later hervond Oppen, die intussen de Communistische Partij had verlaten, zijn vertrouwen in de poëzie en begon weer met het schrijven van gedichten. Het was hem ditmaal vooral te doen om een verkenning van de mogelijkheden van poëtische taal en niet zozeer om het opbouwen van een oeuvre. Hij had zijn zinnen gezet op de deconstructie van sleetse discoursen en het onder woorden brengen van waarheid.

In 1962 publiceerde Oppen zijn tweede bundel, The Materials, die opent met het gedicht ‘Eclogue’, waarin mens tegenover natuur wordt gezet.

HERDERSLIED

De pratende mannen
In het midden van de kamer. Ze hebben meer gezegd
Dan ze van plan waren.

Pinpointend in het rumoer
Van de woonkamer

Een aanval
Op het rustige continent.

Achter het raam
Vlees en rots en honger

Losjes in de nachtelijke lucht
Verhard in de aarde

Uit zichzelf weer naar de zon draaiend, kleine
Vegetatieve bladeren
En stengels buiten

Plaatsgrijpend – O kleintjes,
Om geboren te zijn!

Gewoonlijk wordt in herdersliederen het landleven bezongen, dat zorgeloos zou zijn en onbedorven. Maar Oppen doorkruist de idylle door harde realiteit te schetsen: mensen hebben zich achter glas verschanst voor de natuur, die zij in hun exploitatiedrang zullen blijven attaqueren. En uit de typering ‘vlees en rots en honger’ kan worden afgeleid dat ook de natuur niet een en al lieflijkheid is. Toch schaart Oppen zich aan de zijde van Moeder Natuur, die hem in al haar variatie, noodzakelijkheid en eigenzinnigheid blijft verbazen. De toegezwaaide lof in de laatste strofe doet wél denken aan een herderslied. Wat een terugkeer naar de poëzie!

• Oppen, G. (2002). New Collected Poems. New Directions.

George Oppen, ca. 1960

Telescoop

Louise Glück: als je vergeet waar je bent

Totaal opgaan in een bezigheid is iets wat we allemaal uit eigen ervaring kennen. We hebben er dan ook woorden voor. Wie heeft zichzelf nog nooit verloren in werk of een hobby? Waarneming en beleving van ruimte en tijd nemen dan een andere aard aan, de afstand tot dat waar je mee bezig bent verkleint zich en je wordt als het ware wat je doet.

In het gedicht ‘Telescope’, uit de bundel Averno (2006), brengt Louise Glück deze ervaring onder woorden.

TELESCOOP

Er is een moment nadat je je oog hebt afgewend
waarin je vergeet waar je bent
omdat je, ogenschijnlijk,
ergens anders was, in de stilte van de nachthemel.

Je bent niet meer hier op de wereld.
Je bent op een andere plek,
een plek waar het menselijk leven geen betekenis heeft.

Je bent geen voortbrengsel in een lichaam.
Je bestaat zoals de sterren bestaan,
deelt in hun stilte, hun onmetelijkheid.

Dan ben je weer terug op aarde,
's nachts, op een kille heuvel,
en haalt de telescoop uit elkaar.

Achteraf realiseer je je
dat niet het beeld vals is
maar de samenhang vals is.

Je ziet weer hoe ver weg
elk ding is van elk ander ding.

Boem. Na de laatste strofe sta je weer met beide benen op de grond. Andere, metaforische lezingen van dit vers zijn: jezelf verliezen in poëzie of een relatie met een ander. In het laatste geval neigt het vers hier en daar – ‘Je bestaat zoals de sterren bestaan’ – naar edelkitsch. Maar ook dan zijn de slotwoorden ongemeen ontnuchterend.

Louise Glück, ca. 1970

Eenzaam

Meditatief ritme van Louise Glück

Zo’n dag waarop het weer je binnenhoudt. Smerig weer. Storm. De hele dag de lampen aan. Je probeert te volgen wat er buiten gebeurt, voelt je van God en iedereen verlaten. Louise Glück schreef er een gedicht over, ‘Solitude’, dat is opgenomen in A Village Life (2009).

EENZAAM

Het is erg donker vandaag; vanwege de regen
is de berg niet zichtbaar. Het enige geluid
dat van de regen, die het leven ondergronds drijft.
En met regen komt kou.
Vanavond zal er geen maan of ster zijn.

De wind wakkerde vannacht aan
en teisterde de hele ochtend het koren –
rond het middaguur zwakte hij af. Maar de storm hield aan
en doordrenkte de droge velden, zette ze onder water -

De wereld is verdwenen.
Er valt niets te zien, alleen de regen,
blinkend op de donkere ramen.
Dit is de rustplaats, waar niets beweegt –

Nu keren we terug naar wat we waren,
dieren in duisternis,
zonder taal of inzicht -

Niets bewijst dat ik leef.
Er is alleen regen, de regen is eindeloos.

Een vers over een in zichzelf gekeerde wereld, waarvan Glück knap het meditatieve ritme heeft weten te vangen.

Louise Glück, ca. 1980

Aubade

De devotie van Louise Glück

Bladerend in Louise Glücks Poems 1962-2012, die ik naar aanleiding van de toekenning van de Nobelprijs voor Literatuur aanschafte, bekroop me het gevoel een verzamelbundel van een aantal deeltjes uit een boeketreeks vast te houden. Ik las titels als ‘Liefde in maanlicht’ en ‘Hart in vuur en vlam’ en regels als ‘Ik wist wat liefde was, / hoe het de ziel in gevaar brengt’ en ‘Zijn blik raakte me / voordat zijn handen me raakten’. Hoeveel clichés, vroeg ik me af, zou ik kunnen verdragen?

Maar nu, een verdiepingsslag later, weet ik: het valt mee. Hoewel boeketreekstaal niet wordt geschuwd, weet Glück toch dikwijls te ontsnappen aan het sentimentele en banale. Haar poëzie aanbidt het leven in velerlei toonaarden, is devoot zonder echt religieus te zijn. Naast verwondering en lof wordt de lezer ook geconfronteerd met pijnlijke ervaringen, schuld, onvervuld verlangen, vervreemding en twijfel. En kijken kan ze ook goed, ijselijk goed.

AUBADE

Er was één zomer
die vaak terugkeerde
er was één bloem die zich opende
en veel vormen aannam

Karmijnrood van de monarda, geelgoud van late rozen

Er was één liefde
Er was één liefde, er waren veel nachten

Geur van de boerenjasmijn
Stroken echte jasmijn en lelies
Toch blies de wind

Er waren veel winters, maar ik sloot mijn ogen
De koude lucht wit met verdwenen vleugels

Er was één tuin toen de sneeuw smolt
Hemelsblauw en wit; ik kon mijn eenzaamheid
niet van liefde onderscheiden -

Er was één liefde; hij had veel gezichten
Er was één dageraad; soms
keken we er samen naar

Ik was hier
Ik was hier

Er was één zomer die keer op keer terugkeerde
er was één dageraad
al kijkend werd ik ouder
Louise Glück, ca. 1960

Nee tante Vé

Als Poppe Laars verernstigt

In Kunnen ernstige volkeren verzuidelijkt worden? (2019) is Poppe Laars weliswaar talig aan de zwier, maar zijn zijn verzen te vaak weinig meer dan ledig vermaak. Dat het hem niet zozeer om de inhoud te doen is, wordt ook al in de bundeltitel uitgedrukt. Deze poëzie bevindt zich op het raakvlak van slam, nonsenspoëzie en light verse, en wordt gekenmerkt door een overdaad aan neologismen. Niet echt iets voor mij. Ik ben een ernstiger mens, die maar moeilijk verzuidelijkt kan worden.

Maar als Laars zijn spielerei opzij weet te zetten en wat verernstigt, dan staat er een dichter op die meer in zijn mars heeft en me met zijn verzen weet te bekoren.

NEE TANTE VÉ,

missen is meer
dan afgesneden zijn,
meer dan huilend uiteen vallen
in niet meer passende delen,
meer dan het onophoudelijk schrijnen
van de weke delen,
meer dan een weggewaaide stem
die nooit meer langs je oren dwarrelt.

Missen is dansen,
ja dansen,
een misselijkmakende tango
met de zwarte vrijheid.

Het beeld van iemand in het zwart die alleen een tango danst, blijft lang bij me hangen.

T-gedichten van Dautzenberg en Aasprong

Je zult maar op het idee komen en elke letter van een tekst vervangen door de letter t. Dan ben je niet helemaal goed snik, of een dichter. Beide kan uiteraard ook. Schrijver-dichter Anton Dautzenberg kwam op dit idee, valt in een onderhoudend stuk op ooteoote.nl te lezen, en verving alle letters van een zootje bestaande gedichten door de hoofdletter T. Vervolgens vroeg Dautzenberg aan een aantal kunstenaars om nieuw werk te maken, geïnspireerd op zo’n T-gedicht.

Grappig, dacht ik, en experimenteel. Bovendien ken ik nog een t-gedicht, van de Noorse schrijver-dichter Monica Aasprong. Het maakt deel uit van het project Soldatmarkedet, waar ze van 2003-2007 aan werkte. Een fragment van het gedicht (zie foto) is opgenomen in de bloemlezing Against Expression: An Anthology of Conceptual Poetry (2011).

Aasprong verwijderde uit romans die ze had geschreven alle letters op eentje na en genereerde vervolgens met behulp van een tekstverwerker zestienduizend herordeningen. Uit de herordeningen die slechts de kleine letter t bevatten stelde ze in 2003 een boekje samen, getiteld Soldatmarkedet, dat uiteindelijk onderdeel zou worden van het grotere project met dezelfde naam.

‘Soldatmarkedet’ verwijst naar een plein in Berlijn, Gendarmenmarkt, waar oorspronkelijk paardenstallen aan lagen van het Duitse leger. In Aasprongs tekst zou je een reflectie op deze historie kunnen lezen. Ze geeft zelf geen verdere uitleg.

De gedichten van Dautzenberg en Aasprong kunnen tot de conceptuele poëzie worden gerekend: ‘Een tekst wordt conceptueel genoemd wanneer het concept dat eraan ten grondslag ligt belangrijker is dan de concretisering ervan.’ Heerlijk, toch?

Koersstijging

Poëzie is geen zienswijze voor Ashbery

John Ashbery. Ik kan me suf peinzen over gedichten van John Ashbery. Zeker geen onaangename bezigheid, integendeel. Veel van zijn gedichten lijken iets essentieels uit te drukken, wat me telkens weer als water door de vingers glipt. Uit zijn bundel Planisphere (2009):

KOERSSTIJGING

We zaten daar en
ik maakte een grapje over hoe
de boel niet goed aansluit: tijd,
een minuut die sneller
verloopt dan zijn voorganger,
hem inhaalt.
Op die manier, zei ik,
gaat er niets verloren.
Verlies wordt praktisch geëlimineerd.

Om voor een paar uur terug te keren tot
het onderwerp in kwestie, een schilderij,
eruitziend alsof het was gezien,
half omgedraaid, enigszins ongerust,
maar het moet letten op
wat er in het vooruitzicht staat: een zienswijze.
Daarom lost poëzie op in
glinsterende nattigheid en leest ons
voor ons.
Een vaag idee. Te veel woorden,
maar waardevol.

Als kind krijg je al mee dat je je tijd nuttig moet besteden, niet moet verdoen. Tijd is kostbaar, tijd vliegt! Maar dat we niet zouden mogen lummelen leggen we onszelf op, wordt ons niet door de wet voorgeschreven. Het is een zienswijze, opvatting waar we, meestal, naar handelen.

Zienswijzen worden doorgaans a posteriori gevormd, achteraf. We vinden iets van een schilderij nadat we het hebben gezien, of van een gedicht nadat we het hebben gelezen.

Maar poëzie is, voor Ashbery, geen zienswijze, van de dichter of wie dan ook. Poëzie laat ons iets opmaken uit onszelf, over onszelf, wat niet scherp omlijnd is maar wel een grote waarde heeft, meer dan voldoende om je je ermee bezig te houden.

En zo peins ik verder. Wat als er in de kern niets wordt aangetroffen of uitsluitend een platitude?

John Ashbery, 1995

Metonymia

De tik van Joe Wenderoth

Sommigen vinden er niets aan, maar ik wel: gedichten waarbij je je hersens moet gebruiken. Joe Wenderoth schreef er eentje, die is opgenomen in If I Don’t Breathe How Do I Sleep (2014):

METONYMIA

wat beweegt
dit gedicht

Een gedicht over poëzie. Ik hou van gedichten over poëzie. Geen idee waarom, dat is nu eenmaal zo.

Metonymia is een stijlfiguur ‘waarbij in plaats van het bedoelde iets anders genoemd wordt, op grond van een bepaalde betrekking die tussen beide bestaat’. Bijvoorbeeld: ‘Heineken’ zeggen in plaats van ‘bier’. Een lichte betekenisverschuiving valt daarbij zelden te vermijden.

Omdat ‘bewegen’ nogal wat betekenissen heeft – verroeren, ontroeren, aandrijven – en interpunctie ontbreekt, laat dit vers meerdere lezingen toe. Probeer maar. Wel duikt onvermijdelijk de vraag op: welk bedoelde wordt hier iets anders genoemd?

Wenderoth heeft tegen mijn denkraam getikt en me uitgedaagd tot een herschikking van mijn denkpatronen. Dat is de verdienste van dit gedicht.

‘Metonymia’ in plaats van ‘poëzie’?

Welke betrekking bestaat er tussen beide?